Hoofdrolspelers landelijk gebied slaan de handen ineen
Economische vitaliteit is een voorwaarde om lokaal draagvlak voor het natuur- en landschapsbeleid te behouden. Het beleid voor natuur en landschap kan dus alleen worden voortgezet als dat in evenwicht gebeurt met de economische ontwikkeling van het platteland. Derhalve is een balans nodig tussen de verschillende functies in het landelijk gebied: wonen, werken en recreëren.
Dat vereist een multifunctionele en efficiënte ontwikkelingsstrategie. Die strategie heeft als basis landelijk bepaalde hoofdlijnen, die per gebied worden uitgewerkt en ingevuld: met flexibiliteit en realiteitszin, en met publiek en privaat geld. Dat vraagt bovendien een duidelijk ruimtelijk beleid en vermindering van de verschillende grondclaims. Verkorting van procedures is nodig om de onzekerheid voor particuliere grondgebruikers te verkleinen.
Een achttal hoofdrolspelers in het landelijk gebied hebben deze strategie uitgewerkt in een gezamenlijk manifest, dat zij hebben aangeboden aan de informateurs. Naast LTO Nederland gaat het om de ANWB, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, de Federatie Particulier Grondbezit, De12Landschappen, Natuurlijk Platteland Nederland en de RECRON.
Bezuinigingen
Het platteland is van grote maatschappelijke en economische betekenis. Voor natuur en landschap, de voedselproductie, de biodiversiteit, de recreatie, de volksgezondheid, alsook voor het helpen oplossen van de klimaatproblematiek, de werkgelegenheid en dergelijke. In het manifest constateren de acht organisaties dat het landelijk gebied te maken heeft met schaarste aan ruimte, ingewikkelde regelgeving voor natuur- en landschap en niet in de laatste plaats mogelijke bezuinigingen.
Het is een uitdaging om natuur en landschap niet alleen uit collectieve middelen te financieren, maar ook te zoeken naar nieuwe financiële mogelijkheden, zoals financiering uit de markt. In het manifest pleiten de acht organisaties voor zowel een doelmatige uitvoering van de EHS (Ecologische Hoofdstructuur) als uitvoering van het Natura 2000-beleid, betere toegankelijkheid van het platteland, doelgerichtere regelgeving en een multifunctionele ontwikkelingsstrategie. De partijen dringen er bij het volgende kabinet op aan het beleid voor een vitaal platteland vorm en inhoud te geven volgens de lijnen die in het manifest zijn uitgewerkt. 
Desnoods meer tijd
Het afmaken van de EHS krijgt gestalte op gebiedsniveau met de nodige flexibiliteit en met oog voor de lokale en regionale omstandigheden. De vergoeding voor beheer van bestaande natuur mag niet ten koste gaan van de schaarste aan middelen. Voor de realisatie van de EHS kan desnoods meer tijd worden uitgetrokken. Een nieuw tijdspad is dan nodig op basis van prioriteiten. Ondernemers mogen echter geen hinder ondervinden als op plekken de realisatie van de EHS langer op zich laat wachten dan voorzien. Bij de invulling van de EHS spelen terreinbeherende organisaties, agrarische ondernemers en andere particuliere grondeigenaren een belangrijke rol. Met het Rijk zijn afspraken gemaakt dat bestaande knelpunten worden opgelost.
Het landelijk gebied moet makkelijker toegankelijk zijn voor het publiek. Daarvoor is een stimulans voor multifunctioneel ondernemerschap nodig; maatschappelijke diensten op het gebied van landschap en natuur verdienen erkenning. Daarnaast blijft de noodzaak bestaan om stad en platteland te verbinden met groene gebieden. Dat vraagt om heldere keuzes en bovenal om een duidelijk ruimtelijk beleid van de overheid ten aanzien van de verschillende grondclaims.
‘Bestaand gebruik moet worden gerespecteerd’
Het manifest wordt in LTO-verband gezien als een brede steun voor de eigen positie en erkenning van al lang slepende knelpunten in het Natura 2000 dossier. “Er zijn duidelijk stappen in onze richting gezet”, zegt Gerbrand van 't Klooster, specialist van LTO op het gebied van ruimtelijke ordening, die nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming van het manifest.
De noodzaak van economisch gezonde bedrijven en ruimte voor bedrijfsontwikkeling worden als voorwaarden voor een vitaal platteland erkend, constateert hij. Onderstreept is dat keuzes moeten worden gemaakt en consequenties moeten worden verbonden aan het gebrek aan geld voor de uitvoering van de EHS. 
Heel belangrijk is dat bestaand gebruik moet worden gerespecteerd. De aanbevelingen voor de aanpak van het stikstofprobleem van de taskforce Trojan en de werkgroep Huys worden genoemd als uitgangspunten.
Ook natuurorganisaties geven in het manifest dus aan dat het in provinciale discussies over de beheerplannen en stikstofkaders in de provincies nodig is dat de kritische depositiewaarde wordt gerelativeerd, aldus Van ’t Klooster. LTO beschouwt dat als een stap vooruit. Dat brengt immers een situatie dichterbij, waarbij veehouderijbedrijven niet langer een probleem zijn waarbij hun voortbestaan af hangt van gedoogsteun. Integendeel, veehouderijbedrijven kunnen juist deel worden van de oplossing. Ze kunnen - ook als groeiende ondernemers - zelfs waardering krijgen omdat zij dan tevens kunnen investeren in meer duurzaamheid.
