Ongelijkheid door vergroening GLB

De Europese Commissie heeft voorgesteld dat in het nieuwe GLB een aantal maatregelen als vergroening van het beleid moeten worden doorgevoerd. Dat wordt gezien als legitimatie van directe betalingen aan boeren, sinds de productgeoriënteerde steun werd ontkoppeld. De Europese landbouworganisaties hebben deze verschuiving in het beleid niet gevraagd, maar zijn wel bereid om de vergroening door te voeren om het maatschappelijk draagvlak voor het beleid te behouden en te versterken. Ook LTO is daarom een voorstander van vergroening van het beleid.

De door Brussel voorgestelde maatregelen lijken echter aan te koersen op ongelijkheid tussen sectoren. De drie maatregelen zijn: behoud van blijvend grasland, gewasdiversificatie en de inrichting van gebieden met ecologische focus (EFA’s). Het ligt voor de hand dat alle sectoren gelijk op hun eigen wijze bijdragen aan de vergroening. Dat is echter niet het geval. Voor de bedrijven met overwegend grasland is alleen de eerste maatregel over het behoud van blijvend grasland van belang, terwijl bedrijven uit de plantaardige sectoren naast de gewasdiversificatie ook nog eens 5% van hun areaal uit productie moeten nemen om een ecologische focus te geven.

Die EFA’s zijn alleen bedoeld voor de plantaardige sectoren en het ziet er naar uit dat ons kabinet er voor kiest dat daarop helemaal geen productie mag plaatshebben. Eiwitgewassen worden door sommige lidstaten genoemd als alternatief, maar ook dat kent zijn nadelige kanten. Allereerst zal de markt van die producten zeer nadelig beïnvloed worden als op grote schaal op die manier invulling aan de EFA’s gegeven wordt. Bovendien is het allerminst zeker dat ons kabinet voor die mogelijkheid wil kiezen. Als dat niet het geval is, dan zal er geen productie op de EFA’s mogen plaatsvinden: 5% van het bouwland wordt uit productie genomen, terwijl de bedrijven met overwegend grasland daar geen hinder van ondervinden.

Met name akkerbouwbedrijven zullen veel areaal moeten inleveren. Het is niet de bedoeling om af te zetten tegen andere sectoren, maar door het aanstaande beleid en de keuzes die de overheid daarin lijkt te willen maken, zal wel een gevoel van rechtsongelijkheid ontstaan. Alles moet er aan gedaan worden om te voorkomen dat akkerland ‘braak’ moet worden gelegd om aan de vergroening te voldoen. Alternatieven zijn er: het duurzaamheidscertificaat voor het hele bedrijf ligt op de plank om ingezet te kunnen worden. Het is bovendien een eenvoudig controleerbaar systeem en zal daardoor uitvoeringskosten voor de overheid kunnen besparen.

Onze Nederlandse akkerbouwgrond is veel te kostbaar om uit productie te nemen. Ten eerste heeft het geen effect op de biodiversiteit omdat elders de wegvallende productie gecompenseerd moet worden. Bovendien is het maatschappelijk niet uit te leggen dat in deze tijd van schaarste goede grond ‘braak’ gelegd moet worden. De drie maatregelen voor de vergroening van het beleid, zijn juist bedoeld voor die maatschappelijke legitimatie. De ecologische focus op gebieden kunnen daaraan bijdragen, maar niet als dat betekent als er goede landbouwgrond uit productie genomen moet worden. Dat onzalige idee zou zich juist wel eens tegen het voorgestelde EU beleid kunnen keren.

28 oktober 2013

BRON:
Jeroen Kloos
Naar boven