Opinie: Met nieuwe mestnorm valt niet te rekenen

De nieuwe mestnormen die het ministerie van LNV voorstelt, zijn onwerkbaar voor veehouders die een lagere mestproductie hebben dan de nieuwe norm voorschrijft. Het is niet meer van deze tijd om enkel uit te gaan van een gemiddelde norm. De verschillen tussen veehouderijbedrijven is anno nu simpelweg te groot.
Vorige maand kwam het ministerie van LNV (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) met een voorstel voor nieuwe mestnormen (excretieforfaits) vanaf 2020. In het voorstel worden zowel wijzigingen voor de bestaande normen gedaan, als wel voor de diercategorieën. De Commissie voor Deskundigen Meststoffen (CDM) heeft het voorstel uitgedokterd voor LNV. In een openbare consultatie kan een ieder tot 14 augustus reageren. LTO Nederland heeft dit inmiddels gedaan.
Nieuwe normen sluiten niet aan
Onze veehouderijvakgroepen stellen dat de nieuwe voorgestelde mestnormen niet aansluiten bij de boerenwerkelijkheid. Crux is of een sector of diercategorie in een gemiddelde mestnorm is te vangen. Immers de diversiteit binnen sectoren is groot. Zeker als een deel van het gebruikte voer uit ruwvoer bestaat. Ruwvoerkwaliteit en samenstelling kunnen sterk uiteen lopen. Maar ook het nagestreefde productieniveau of het bedrijfssysteem heeft invloed. Dat alles wordt door het CDM en het ministerie samengevat in een voor heel Nederland geldend gemiddeld rantsoen. Hieruit is een getal als de standaard mestnorm gedestilleerd. Alleen voor melkkoeien wordt een uitsplitsing gemaakt.  
Niet vreemd dus dat er dan veel veehouders zijn die zich niet herkennen in die gemiddelde, nationale mestnorm. Voor veehouders met een bovengemiddelde mestproductie is het van belang dat de milieudoelen in de omgeving niet onder druk komen te staan. Maar de veehouders met een werkelijke, lagere mestproductie dan het forfait voorschrijft, roeren zich. En terecht. Want ook deze veehouders dienen aan het einde van het jaar een sluitende mestboekhouding op te leveren. Hoe kan je dat bereiken als de berekende mestproductie niet met de werkelijke overeen komt?
Wat is wel een werkbare norm?
Het CDM zou niet meer op zoek moeten gaan naar het gemiddelde forfait, maar naar een manier hoe je beter zicht krijgt op de werkelijke mestproductie. Een gemiddelde norm zegt namelijk alleen maar iets over de gemiddelde mestproductie van heel Nederland. Echter op bedrijfsniveau is het nauwelijks bruikbaar. Met het ministerie is afgesproken dat de mestketen zich gaat certificeren. Transparantie over de werkelijke mestproductie en de toepassing van deze mest is het uitgangspunt. Dit staat dus haaks op de rekenwijze van het CDM en de voorgestelde nieuwe excretieforfaits.
Wil je als overheid veehouders toch afrekenen op een vast getal, dan zal de spreiding tussen bedrijven vertaald moeten worden naar een correctiefactor op het gemiddelde. Dit is nodig om te weten of de forfaitaire mestproductie ook zeker geproduceerd wordt. In het verleden waren dergelijke correctiefactoren gebruikelijker dan tegenwoordig. Terwijl ze nu harder nodig zijn dan ooit, omdat de rek in bijvoorbeeld de gebruiksnormen ook is verdwenen. Daarom hebben we in de LTO-visie op de Herbezinning van het mestbeleid beide routes opgenomen: generiek waar het moet en specifiek waar het kan. Het zou veehouders recht doen als ook het ministerie niet alleen blijft denken in generiek beleid.
Claude van Dongen is LTO-bestuurder met portefeuille Bodem en Waterkwaliteit.
 

12 augustus 2019

BRON:
Claude van Dongen
Naar boven